© De Oblaten van Franciscus van Sales | contact

Citaat februari 2019


Ieder mens is uniek, hoor je wel eens zeggen. Mensen verschillen van elkaar, iedereen is anders. Franciscus van Sales onderschrijft dat, maar geeft ook aan dat God over iedereen evenveel genade uitstrooit. Die genade en zegeningen worden zelfs overvloedig uitgestrooid. Waar het op aankomt, is hoe het opgevangen wordt. Valt het in vruchtbare aarde of op een rotsbodem? Kan het wortel schieten of verdort het zodra het de bodem raakt? In dit hoofdstuk maakt Franciscus van Sales gebruik van de gelijkenis van de zaaier uit Matteüs 13. Met genade en zegeningen gaat het zoals met het zaad uit deze gelijkenis: om hun uitwerking niet te missen, moeten ze goed vallen. Je moet er ontvankelijk voor zijn en weten hoe het ten goede aan te wenden, zodat het je ook daadwerkelijk tot heil en zegen is. Op de vraag waarom de ene mens meer gezegend lijkt te zijn dan de ander, reageert Franciscus van Sales met wedervragen die duidelijk maken dat er ook onzinnige vragen zijn.

Over alle mensen en over alle engelen heeft de goddelijke Voorzienigheid ontelbaar veel genade en zegeningen uitgestrooid. Iedereen kan dat voelen, alsof het regendruppels zijn die "Hij laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (Matteüs 5, 45) en alsof het licht is, dat "elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen" (Johannes 1, 9). Iedereen ontvangt er wel iets van, zoals zaad dat overal neerkomt: op het pad, op rotsgrond, in ondiepe aarde, tussen de distels en in goede aarde (Matteüs 13, 3-8). En "daarom zijn ze niet te verontschuldigen" als ze deze overvloedige verlossing niet voor eigen bestwil gebruiken (Romeinen 1, 20). Deze overvloed aan genade en zegeningen wordt dus over alle mensen verdeeld en uitgestrooid. Ieder van ons kan er zeker van zijn dat die rijkdom aan zegeningen aan ons allen wordt aangeboden. Maar deze gunsten zijn zo uiteenlopend dat je niet zou kunnen bepalen wat indrukwekkender is: de grootheid van al die zegeningen in hun verscheidenheid, of de verscheidenheid in zoveel verheven grootheid. (…) We weten dat ieder mens anders is, er is er niet één hetzelfde als het gaat om natuurlijke gaven. Zo is ook niemand hetzelfde als je de bovennatuurlijke gaven beziet. (…) Doe geen moeite om uit te zoeken waarom de opperste Wijsheid aan de ene persoon een bepaalde gunst verleent en aan de ander niet. Zorg dat je jezelf die nieuwsgierigheid niet toestaat, Theotimus. Iedereen bezit namelijk alles, ja zelfs in overvloed, wat nodig is om zalig te worden. Zodoende is er geen reden om je te beklagen als het God behaagt om iemand meer te schenken en een ander minder. Je vraagt toch ook niet aan God waarom Hij meloenen groter heeft gemaakt dan aardbeien? Of een lelie groter dan een viooltje? Of waarom rozemarijn geen roos is, een anjer geen goudsbloem, waarom een vijg zoet is en een citroen zuur?"

Uit: Franciscus van Sales, Verhandeling over de liefde tot God, boek 2 hoofdstuk 7.
Bekijk ook de foto van de maand